logo
Nieuwsbrief 21

 

 

DE AMSTERDAMSE RECHTBANK

PLEIDOOIEN EN VRAGEN

 

 

Men stelle zich voor:

Een collectief systeem van sociale zekerheid:

-          Dat alle expat-gepensioneerden onder dreiging van een boete dwingt tot inschrijving, zonder dat daartoe een verplichting bestaat.

-          Dat de met jarenlange bijdragen in Nederland verkregen rechten eenzijdig opzegt, in Nederland een alternatief aanbiedt, maar de expats verwijst naar een ziekenfonds in hun land, dat vaak minimaal is en weinig of geen AWBZ-dekking biedt.

-          Dat ex-ziekenfonds patiënten (ca. 60.000) niet langer toestaat zich te laten behandelen in Nederland, waardoor zij moeten terugvallen op een lager niveau van sociale verzekering, met alle taal- en andere problemen van dien.

-          Dat ex-particulier verzekerden (ca. 40.000) veroordeelt tot een toestand waarin zij vaak wegens hun leeftijd of een medische “voorgeschiedenis” niet meer de onmisbare aanvullende particuliere verzekering kunnen afsluiten – in ieder geval hen dwingen tot hogere kosten en minder goede hulp.

-          Dat Nederland bij expat-gepensioneerden bijdragen in rekening brengt die gerelateerd zijn aan de door de AWBZ veroorzaakte hoge binnenlandse premies, terwijl Nederland aan de woonlanden forfaitaire vergoedingen betaald die zijn gerelateerd aan de gemiddelde kosten van gepensioneerden,

-          Dat alles onder het motto: “solidariteit” (zie “Masterplan buitenland”)

 

Dit systeem wordt nu bekeken door rechters die tijdens de zitting blijk gaven de materie zeer grondig bestudeerd te hebben. De vragen die zij stelden waren terzake en scherp. Dat bepaalde de sfeer tijdens een zitting, die met twee korte pauzes 6 uren duurde. Welk een contrast met de Raad van State!

Gezien de gecompliceerde materie kon de President niet een uitspraak binnen zes weken beloven.

Hoe de uitspraak zal uitvallen voor de gedupeerden blijft natuurlijk onzeker. De President noemde twee mogelijkheden: (a) een vonnis, of (b) een z.g. “tussenvonnis”. In het laatste geval legt de Rechtbank vragen voor aan het Europese Hof – met name over vragen als: Is art. 69 van de toepassingswet in strijd met de vrijheid van verkeer binnen de Europese Unie, alsook de vraag of de coördinatierichtlijn 1408/71 aan de gepensioneerde keuzevrijheid laat.

De verdediging van de gedaagden (CVZ en SVB) was op de meeste punten een herhaling.

Aan het briljante betoog van onze advocaten Pijnacker Hordijk en Geursen zal het overigens niet liggen! Bovenstaande punten werden stuk voor stuk helder op de korrel genomen. Dat moge blijken uit het onderstaande.

 

Mr. F.H.J.J. Andriessen                                                                                    Dr. J.C. Ramaer    

 

 

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Over de zitting van vrijdag 23 november.

 

Nog even voor de duidelijkheid de volgorde van procederen:

1. U bent het niet eens met een beschikking van bv de SVB;

2. U dient hierover een bezwaarschrift in bij de SVB;

3. De SVB wijst Uw bezwaar af;

4. U gaat hierover in beroep bij de rechter middels een beroepschrift;

5. De tegenpartij (bijvoorbeeld de SVB) verdedigt zich bij de rechter middels een

    verweerschrift;

6. Op de zitting mag iedere partij een mondelinge toelichting geven aan de hand

    van een pleitnota.

 

 

Korte samenvatting van de standpunten van "de pensionado's", het CVZ en de SVB.

 

Ons Beroepschrift.

 

Begonnen werd met een verzoek om

a) samenvoeging van behandeling van de beroepen 'keuzerecht' en 'woonlandfactor';

b) versnelde behandeling van deze zaken.

Dit verzoek werd door de rechter ingewilligd.

 

Onze advocaat stelde m.b.t. het keuzerecht,(net zoals vorig jaar voor de Raad van State):

- een in een EEG-land wonende Nederlander kan niet door Nederland verplicht worden om zich bij het ziekenfonds van zijn woonplaats in te schrijven; hij mág dat doen als hij dat wil. Schrijft hij zich niet in bij het ziekenfonds van de woonplaats, dan mag Nederland ook geen premie heffen.

- het zich verplicht inschrijven bij het ziekenfonds van de woonplaats levert een belemmering op van het vrije verkeer binnen de EEG;

M.b.t. de woonlandfactor: de woonlandfactor  is onjuist berekend, omdat Nederland bij de vaststelling daarvan de gemiddelde ziektekosten van het woonland vergelijkt met die van Nederland; vergeleken zouden moeten worden: de gemiddelde ziektekosten van de pensionado's in het woonland met die van 65+ers in Nederland.

 

SVB en CVZ dienden allebei verweerschriften in inzake de woonlandfactor, de SVB ging ook in op het keuzerecht.

 

Verweer SVB:

 

Inzake het keuzerecht:

- de EEG-verordening waarop art. 69 Zorgverzekeringswet is gebaseerd is een socialezekerheidsregeling; het gaat niet om het op elkaar afstemmen van de regels in de EEG-landen;

- dat vindt het BundesSozialGericht in Duitsland ook, en de EEG-landen moeten, wat rechtspraak betreft, één lijn trekken;

- en als het alléén zou gaan om het op elkaar afstemmen van nationale regels, dan gaat in dit geval het Nederlandse recht vóór;

- bovendien kan het niet zo zijn dat een pensionado zich naar eigen goeddunken, bijvoorbeeld omdat hij ziek wordt, later alsnog kan gaan inschrijven bij het ziekenfonds van zijn woonplaats.

 

Inzake de woonlandfactor:

- het gaat bij de woonlandfactor om de hoogte van de bijdrage en die moet dus volgens dezelfde methodiek worden vastgesteld als de bijdrage in Nederland; er kan daarbij geen onderscheid worden gemaakt tussen verschillende categorieën personen, de leeftijd (bijvoorbeeld pensionado-zijn)  mag dus geen rol spelen;

- bovendien is een leeftijdsonafhankelijke bijdrage een kwestie van solidariteit (het zogenaamde solidariteitsprincipe in de sociale wetgeving)

 

 

Verweer CVZ:

 

Het CVZ houdt t.a.v. de woonlandfactor een betoog dat erop neer komt, dat de Minister in alle redelijkheid tot déze vaststelling van de woonlandfactor heeft kunnen komen.

Het stelt voorop:

- bij de vaststelling van de woonlandfactor gaat het niet om een vergelijking op basis van de INHOUD van de zorg. Dat is niet mogelijk omdat AWBZ-achtige voorzieningen in de woonlanden soms via een ziektekostenverzekering of een sociale voorziening worden verstrekt(weliswaar alleen aan de laagste inkomens).

- dus is gekozen voor een vergelijking op basis van de gemiddelde zorgkosten per inwoner in de verdragslanden.

- overigens, als een AWBZ-factor niet zou worden opgenomen bij de berekening van de woonlandfactor, dan zou toch wél weer gekeken worden naar de inhoud van de verschillende pakketten in de landen.

- volgens de Europese wet hoeft er niet eens een relatie te zijn tussen de hoogte van de geheven premie en de aangeboden zorg in het woonland. De premie zou zelfs hetzelfde mogen zijn als de premie in Nederland.

 

 Het stelt verder:

- dat je niet, zoals in het beroepsschrift wordt voorgesteld, pensionado's jonger én ouder dan 65 jaar én al hun gezinsleden in een woonland kunt vergelijken met alléén maar de 65+ers in Nederland, dat zou appels en peren vergelijken zijn.

- dat bij het laten vervallen van de AWBZ-component, de woonlandfactor omhoog zou gaan, en hierdoor de inkomensafhankelijke premie, én de basispremie hoger zouden uitvallen. Dit zou vooral ongunstig uitpakken voor de lagere inkomens, waar de basispremie een relatief groot aandeel van de totale premie uitmaakt.

 

Het CVZ concludeert dat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden wordt en het vrije verkeer van personen niet wordt belemmerd door de thans gevolgde wijze van berekening van de woonlandfactor.

 

 

Pleitnota onze advocaat.

 

Onze advocaat begint in de pleitnota met het aantonen van de ontvankelijkheid van alle nu ingediende beroepen.

 

Hierna gaat hij over tot de eigenlijke zaak:

 

- wat het keuzerecht betreft herhaalt onze advocaat dat er in de woonlanden pas recht op zorg ontstaat vanaf het moment van inschrijven bij het ziekenfonds ter plaatse. Het ziekenfonds betaalt niet voor ziektekosten, gemaakt vóór de inschrijving.

Dus: zonder inschrijving géén recht op zorg!

- hij toont verder aan dat in een belangrijk arrest (van der Duin), de betrokkene juist wél keuzerecht had, afhankelijk van het feit of hij wél of níet had ingeschreven bij het ziekenfonds van het woonland.

Een groot verschil tussen de situatie destijds van van der Duin en die van appellanten van nu is dat de nu in het buitenland wonende gepensioneerden zijn uitgesloten van de Nederlandse sociale zekerheid. Vroeger was dat niet zo! Nu moet er alleen een bijdrage worden betaald, vroeger kon van der Duin zélf beslissen (door zich in-of uit- te laten schrijven) of hij in Nederland of in het buitenland verzekerd wilde zijn. En dit komt niet door een verandering in het Europese recht, neen, dit komt door verandering in de Nederlandse sociale wetgeving!.

 

Het gaat dus eigenlijk uitsluitend om de uitleg van art. 33 van 1408/71:

Nederland mag alléén een bijdrage heffen voorzover prestaties (28/28bis) voor rekening van Nederland komen.

Eigenlijk staat er nu vast dat niet bij het woonland-ziekenfonds ingeschreven personen niet ten laste komen van Nederland.

Dus: er kan ook geen premie worden geheven!

 

Art. 69 Zvw is er ook niet om "er voor te zorgen", dat gepensioneerden in het woonland recht hebben op zorg. Het is er kennelijk omdat Nederland de "National Health" heeft ingevoerd en nu van alle Nederlanders in het buitenland een premie probeert te innen, ook al heeft men geen recht op de (Nederlandse) National Health!

 

Wat de woonlandfactor betreft:

- het gaat hier om de onmiskenbare schending van het gelijkheidsbeginsel. En wel op een bijzondere manier: het gaat niet om ongelijke behandeling van gelijke gevallen, néén, het gaat om gelijke behandeling van ongelijke gevallen!!

De Nederlanders in het buitenland moesten AWBZ betalen terwijl er geen AWBZ was en uiteraard nog steeds niet is.

In Nederland is er zorg: "cure" en AWBZ: "care". In het buitenland is er meestal géén "care'. Zodoende wordt er in het buitenland uiteraard aan de gepensioneerden meer "cure" verstrekt dan aan jongeren. In Nederland echter, wordt er onevenredig vele malen meer dan in het buitenland, verstrekt aan gepensioneerden (vanwege de aanwezigheid van de "cure" én de "care"), dan aan jongeren.

Voorzover de overheid minder voor een gepensioneerde betaalt aan een woonland dan de kosten van een gepensioneerde in Nederland, maakt de overheid dus "winst".

Derhalve moet bij het bepalen van de bijdrage de gemiddelde kosten van gepensioneerden met elkaar vergeleken worden en niet de kosten van de gemiddelde inwoner, zoals de SVB betoogt.

De buitenlandse gepensioneerden willen ook niet een "leeftijdsafhankelijke" woonlandfactor. Zij vinden alleen dat grote ongelijkheden tussen de zorgkosten voor een gepensioneerde in Nederland en die in het woonland onrechtvaardig doorgevoerd worden in de te betalen bijdrage. Vooral ook omdat de bijdrage geen premie is, maar een bijdrage ter dekking van de kosten in het woonland.

Onze advocaat concludeert dat alle argumenten, die het SVB tégen schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert, dus ongegrond zijn.

 

 

Pleitnota SVB.

 

Door het SVB wordt voornamelijk herhaald wat in het verweerschrift werd gesteld.

Voornaamste punten:

- de regeling 1408/71 is een sociale verzekeringsregel, zoals ook is vastgesteld door het BundesSozialGericht;

- de opheffing van de particuliere verzekeringen per 1 januari 2006 was slechts een regulerende maatregel;

- de bestaande berekening van de woonlandfactor is redelijk en billijk.

 

 

Pleitnota CVZ.

 

Ook door het CVZ wordt voornamelijk herhaald wat in het verweerschrift werd gesteld:

- de gepensioneerde in het buitenland moet betalen voor het recht op zorg, of hij zich nu inschrijft of niet;

- een verslechtering van de levensstandaard van eisers is door hen niet aangetoond.

Wat de woonlandfactor betreft:

- het CVZ beargumenteert m.b.t. de woonlandfactor dat er ongetwijfeld vele manieren zijn om een woonlandfactor te bepalen. De door de Minister gekozen methode voldoet aan de eisen van redelijkheid en billijkheid, zoals de wet vereist, en is daarmee volgens het CVZ volledig rechtsgeldig.

 

 

We wachten af wat de rechter zal beslissen.

Onze eisen zijn vanaf het allereerste begin niet veranderd: vernietiging van

de besluiten waar thans door ons bezwaar tegen wordt gemaakt:

 - ontkenning van keuzerecht

 - berekening woonlandfactor.

Het is aan de rechter hier direct een uitspraak over te doen óf eerst prejudicieel

advies te vragen aan het Europese Hof over de uitleg van

art. 33 van de Verordening 1408/71.