DE
AMSTERDAMSE RECHTBANK
PLEIDOOIEN EN VRAGEN
Men stelle zich voor:
Een collectief systeem van sociale zekerheid:
- Dat alle expat-gepensioneerden onder dreiging van een boete dwingt tot inschrijving, zonder dat daartoe een verplichting bestaat.
- Dat de met jarenlange bijdragen in Nederland verkregen rechten eenzijdig opzegt, in Nederland een alternatief aanbiedt, maar de expats verwijst naar een ziekenfonds in hun land, dat vaak minimaal is en weinig of geen AWBZ-dekking biedt.
- Dat ex-ziekenfonds patiënten (ca. 60.000) niet langer toestaat zich te laten behandelen in Nederland, waardoor zij moeten terugvallen op een lager niveau van sociale verzekering, met alle taal- en andere problemen van dien.
- Dat ex-particulier verzekerden (ca. 40.000) veroordeelt tot een toestand waarin zij vaak wegens hun leeftijd of een medische “voorgeschiedenis” niet meer de onmisbare aanvullende particuliere verzekering kunnen afsluiten – in ieder geval hen dwingen tot hogere kosten en minder goede hulp.
- Dat Nederland bij expat-gepensioneerden bijdragen in rekening brengt die gerelateerd zijn aan de door de AWBZ veroorzaakte hoge binnenlandse premies, terwijl Nederland aan de woonlanden forfaitaire vergoedingen betaald die zijn gerelateerd aan de gemiddelde kosten van gepensioneerden,
- Dat alles onder het motto: “solidariteit” (zie “Masterplan buitenland”)
Dit systeem wordt nu bekeken door rechters die tijdens de zitting blijk gaven de materie zeer grondig bestudeerd te hebben. De vragen die zij stelden waren terzake en scherp. Dat bepaalde de sfeer tijdens een zitting, die met twee korte pauzes 6 uren duurde. Welk een contrast met de Raad van State!
Gezien de gecompliceerde materie kon de President niet een uitspraak binnen zes weken beloven.
Hoe de uitspraak zal uitvallen voor de gedupeerden blijft natuurlijk onzeker. De President noemde twee mogelijkheden: (a) een vonnis, of (b) een z.g. “tussenvonnis”. In het laatste geval legt de Rechtbank vragen voor aan het Europese Hof – met name over vragen als: Is art. 69 van de toepassingswet in strijd met de vrijheid van verkeer binnen de Europese Unie, alsook de vraag of de coördinatierichtlijn 1408/71 aan de gepensioneerde keuzevrijheid laat.
De verdediging van de gedaagden (CVZ en SVB) was op de meeste punten een herhaling.
Aan het briljante betoog van onze advocaten Pijnacker Hordijk en Geursen zal het overigens niet liggen! Bovenstaande punten werden stuk voor stuk helder op de korrel genomen. Dat moge blijken uit het onderstaande.
Mr. F.H.J.J.
Andriessen
Dr. J.C. Ramaer
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Over de zitting van vrijdag 23
november.
Nog
even voor de duidelijkheid de volgorde van
procederen:
1. U
bent het niet eens met een beschikking van bv de
SVB;
2. U
dient hierover een bezwaarschrift in bij de
SVB;
3. De
SVB wijst Uw bezwaar af;
4. U
gaat hierover in beroep bij de rechter middels een
beroepschrift;
5. De
tegenpartij (bijvoorbeeld de SVB) verdedigt zich bij de rechter middels
een
verweerschrift;
6. Op
de zitting mag iedere partij een mondelinge toelichting geven aan de
hand
van een
pleitnota.
Korte
samenvatting van de standpunten van "de pensionado's", het CVZ en de
SVB.
Ons
Beroepschrift.
Begonnen werd met een verzoek
om
a)
samenvoeging van behandeling van de beroepen 'keuzerecht' en
'woonlandfactor';
b)
versnelde behandeling van deze zaken.
Dit
verzoek werd door de rechter ingewilligd.
Onze
advocaat stelde m.b.t. het keuzerecht,(net zoals vorig jaar voor de Raad
van State):
- een
in een EEG-land wonende Nederlander kan niet door Nederland verplicht
worden om zich bij het ziekenfonds van zijn woonplaats in te schrijven; hij mág
dat doen als hij dat wil. Schrijft hij zich niet in bij het ziekenfonds
van de woonplaats, dan mag Nederland ook geen premie
heffen.
- het
zich verplicht inschrijven bij het ziekenfonds van de woonplaats levert
een belemmering op van het vrije verkeer binnen de
EEG;
M.b.t.
de woonlandfactor: de woonlandfactor is onjuist berekend, omdat Nederland bij
de vaststelling daarvan de gemiddelde ziektekosten van het woonland vergelijkt
met die van Nederland; vergeleken zouden moeten worden: de gemiddelde
ziektekosten van de pensionado's in het woonland met die van 65+ers in
Nederland.
SVB en
CVZ dienden allebei verweerschriften in inzake de woonlandfactor, de SVB ging
ook in op het keuzerecht.
Verweer
SVB:
Inzake
het keuzerecht:
- de
EEG-verordening waarop art. 69 Zorgverzekeringswet is gebaseerd is een
socialezekerheidsregeling; het gaat niet om het op elkaar afstemmen van de
regels in de EEG-landen;
- dat
vindt het BundesSozialGericht in Duitsland ook, en de EEG-landen moeten, wat
rechtspraak betreft, één lijn trekken;
- en
als het alléén zou gaan om het op elkaar afstemmen van nationale regels, dan
gaat in dit geval het Nederlandse recht
vóór;
-
bovendien kan het niet zo zijn dat een pensionado zich naar eigen goeddunken,
bijvoorbeeld omdat hij ziek wordt, later alsnog kan gaan inschrijven bij het
ziekenfonds van zijn woonplaats.
Inzake
de woonlandfactor:
- het
gaat bij de woonlandfactor om de hoogte van de bijdrage en die moet dus volgens
dezelfde methodiek worden vastgesteld als de bijdrage in Nederland; er kan
daarbij geen onderscheid worden gemaakt tussen verschillende categorieën
personen, de leeftijd (bijvoorbeeld pensionado-zijn) mag dus geen rol
spelen;
-
bovendien is een leeftijdsonafhankelijke bijdrage een kwestie van solidariteit
(het zogenaamde solidariteitsprincipe in de sociale
wetgeving)
Verweer
CVZ:
Het
CVZ houdt t.a.v. de woonlandfactor een betoog dat erop neer komt, dat de
Minister in alle redelijkheid tot déze vaststelling van de woonlandfactor heeft
kunnen komen.
Het
stelt voorop:
- bij
de vaststelling van de woonlandfactor gaat het niet om een vergelijking op basis
van de INHOUD van de zorg. Dat is niet mogelijk omdat AWBZ-achtige voorzieningen
in de woonlanden soms via een ziektekostenverzekering of een sociale voorziening
worden verstrekt(weliswaar alleen aan de laagste inkomens).
- dus
is gekozen voor een vergelijking op basis van de gemiddelde zorgkosten per
inwoner in de verdragslanden.
-
overigens, als een AWBZ-factor niet zou worden opgenomen bij de
berekening van de woonlandfactor, dan zou toch wél weer gekeken worden naar de
inhoud van de verschillende pakketten in de
landen.
-
volgens de Europese wet hoeft er niet eens een relatie te zijn tussen de
hoogte van de geheven premie en de aangeboden zorg in het woonland. De premie
zou zelfs hetzelfde mogen zijn als de premie in
Nederland.
Het stelt verder:
- dat
je niet, zoals in het beroepsschrift wordt voorgesteld, pensionado's jonger én
ouder dan 65 jaar én al hun gezinsleden in een woonland kunt vergelijken met
alléén maar de 65+ers in Nederland, dat zou appels en peren vergelijken
zijn.
- dat
bij het laten vervallen van de AWBZ-component, de woonlandfactor omhoog zou
gaan, en hierdoor de inkomensafhankelijke premie, én de basispremie hoger zouden
uitvallen. Dit zou vooral ongunstig uitpakken voor de lagere inkomens, waar de
basispremie een relatief groot aandeel van de totale premie
uitmaakt.
Het
CVZ concludeert dat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden wordt en het vrije
verkeer van personen niet wordt belemmerd door de thans gevolgde wijze van
berekening van de woonlandfactor.
Pleitnota
onze advocaat.
Onze
advocaat begint in de pleitnota met het aantonen van de ontvankelijkheid van
alle nu ingediende beroepen.
Hierna
gaat hij over tot de eigenlijke zaak:
- wat
het keuzerecht betreft herhaalt onze advocaat dat er in de woonlanden pas
recht op zorg ontstaat vanaf het moment van inschrijven bij het ziekenfonds ter
plaatse. Het ziekenfonds betaalt niet voor ziektekosten, gemaakt vóór de
inschrijving.
Dus:
zonder inschrijving géén recht op zorg!
- hij
toont verder aan dat in een belangrijk arrest (van der Duin), de betrokkene
juist wél keuzerecht had, afhankelijk van het feit of hij wél of níet had
ingeschreven bij het ziekenfonds van het
woonland.
Een
groot verschil tussen de situatie destijds van van der Duin en die van
appellanten van nu is dat de nu in het buitenland wonende gepensioneerden zijn
uitgesloten van de Nederlandse sociale zekerheid. Vroeger was dat niet zo! Nu
moet er alleen een bijdrage worden betaald, vroeger kon van der Duin zélf
beslissen (door zich in-of uit- te laten schrijven) of hij in Nederland of in
het buitenland verzekerd wilde zijn. En dit komt niet door een
verandering in het Europese recht, neen, dit komt door verandering in de
Nederlandse sociale wetgeving!.
Het
gaat dus eigenlijk uitsluitend om de uitleg van art. 33 van
1408/71:
Nederland mag alléén een bijdrage heffen voorzover
prestaties (28/28bis) voor rekening van Nederland
komen.
Eigenlijk staat er nu vast dat niet bij het woonland-ziekenfonds
ingeschreven personen niet ten laste komen van
Nederland.
Dus:
er kan ook geen premie worden geheven!
Art.
69 Zvw is er ook niet om "er voor te zorgen", dat gepensioneerden in het
woonland recht hebben op zorg. Het is er kennelijk omdat Nederland de "National
Health" heeft ingevoerd en nu van alle Nederlanders in het buitenland een premie
probeert te innen, ook al heeft men geen recht op de (Nederlandse) National
Health!
Wat de
woonlandfactor betreft:
- het
gaat hier om de onmiskenbare schending van het gelijkheidsbeginsel. En wel op
een bijzondere manier: het gaat niet om ongelijke behandeling van gelijke
gevallen, néén, het gaat om gelijke behandeling van ongelijke gevallen!!
De
Nederlanders in het buitenland moesten AWBZ betalen terwijl er geen AWBZ was en
uiteraard nog steeds niet is.
In
Nederland is er zorg: "cure" en AWBZ: "care". In het buitenland is er meestal
géén "care'. Zodoende wordt er in het buitenland uiteraard aan de
gepensioneerden meer "cure" verstrekt dan aan jongeren. In Nederland echter,
wordt er onevenredig vele malen meer dan in het buitenland, verstrekt aan
gepensioneerden (vanwege de aanwezigheid van de "cure" én de "care"), dan aan
jongeren.
Voorzover de overheid minder voor een gepensioneerde betaalt aan
een woonland dan de kosten van een gepensioneerde in Nederland, maakt de
overheid dus "winst".
Derhalve moet bij het bepalen van de bijdrage de gemiddelde kosten
van gepensioneerden met elkaar vergeleken worden en niet de kosten van de
gemiddelde inwoner, zoals de SVB betoogt.
De
buitenlandse gepensioneerden willen ook niet een "leeftijdsafhankelijke"
woonlandfactor. Zij vinden alleen dat grote ongelijkheden tussen de zorgkosten
voor een gepensioneerde in Nederland en die in het woonland onrechtvaardig
doorgevoerd worden in de te betalen bijdrage. Vooral ook omdat de bijdrage geen
premie is, maar een bijdrage ter dekking van de kosten in het
woonland.
Onze
advocaat concludeert dat alle argumenten, die het SVB tégen schending van het
gelijkheidsbeginsel aanvoert, dus ongegrond
zijn.
Pleitnota
SVB.
Door
het SVB wordt voornamelijk herhaald wat in het verweerschrift werd
gesteld.
Voornaamste punten:
- de
regeling 1408/71 is een sociale verzekeringsregel, zoals ook is vastgesteld door
het BundesSozialGericht;
- de
opheffing van de particuliere verzekeringen per 1 januari 2006 was slechts een
regulerende maatregel;
- de
bestaande berekening van de woonlandfactor is redelijk en
billijk.
Pleitnota
CVZ.
Ook
door het CVZ wordt voornamelijk herhaald wat in het verweerschrift werd
gesteld:
- de
gepensioneerde in het buitenland moet betalen voor het recht op zorg, of hij
zich nu inschrijft of niet;
- een
verslechtering van de levensstandaard van eisers is door hen niet
aangetoond.
Wat de
woonlandfactor betreft:
- het
CVZ beargumenteert m.b.t. de woonlandfactor dat er ongetwijfeld vele manieren
zijn om een woonlandfactor te bepalen. De door de Minister gekozen methode
voldoet aan de eisen van redelijkheid en billijkheid, zoals de wet vereist, en
is daarmee volgens het CVZ volledig
rechtsgeldig.
We
wachten af wat de rechter zal beslissen.
Onze
eisen zijn vanaf het allereerste begin niet veranderd: vernietiging van
de
besluiten waar thans door ons bezwaar tegen wordt gemaakt:
- ontkenning van
keuzerecht
- berekening
woonlandfactor.
Het is
aan de rechter hier direct een uitspraak over te doen óf eerst prejudicieel
advies
te vragen aan het Europese Hof over de uitleg
van
art. 33 van de Verordening 1408/71.