STICHTING BELANGENBEHARTIGING NEDERLANDSE
GEPENSIONEERDEN IN HET BUITENLAND
(SBNGB)
Secretariaat: Apartado 59, Carrer dels Arbocers 65, 03740
Gata de Gorgos (Alicante), Spanje. Telefoon 0034 966074023 Email
MrJHueber@cs.com
Aan
Minister Dr. A. Klink
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport
Postbus 20350
2500 EJ Den Haag
Nederland
Altea, 2 december 2007.
Geachte Minister,
Graag willen wij u bedanken voor het onderhoud dat
wij op donderdag 22 november 2007 mochten hebben met de heren Bloemheuvel en
Mineur van uw departement ter gelegenheid waarvan wij een exemplaar van uw
¨Masterplan¨ kregen overhandigd. Gaarne hadden wij u echter ook persoonlijk
ontmoet met een kleine delegatie onzerzijds, zoals wij meerdere malen hebben
verzocht, om u onze zorgen nog eens expliciet te kunnen
uitleggen.
Ook betreuren wij het dat wij dit Masterplan
kregen, nadat het gereed was. Wij zien ons nu genoodzaakt de nodige
kanttekeningen te plaatsen bij opmerkingen en cijfers die vermeld zijn in dat
plan en die mogelijk anders hadden kunnen worden
gesteld.
Ten aanzien van dat Masterplan willen wij de volgende
opmerkingen maken:
Onder punt 1. zegt u: “Het belangrijkste uitgangspunt
is de risicosolidariteit: de zorgverzekering staat gelijkelijk open voor
iedereen; jong en oud, werknemer of zelfstandige, uitkeringsgenietende of
werkende. Niemand kan zich aan de zorgverzekeringsplicht onttrekken. Hierdoor is
de solidariteit verankerd.”
Dat moge gelden voor de Nederlanders in Nederland,
maar het is verre van waar voor de zogenaamde verdragsgerechtigden. Over de
solidariteit met de verdragsgerechtigden hebben wij u uitgebreid geïnformeerd
met onze brief van 7 september 2007.
Onder punt 3.e. zegt u “Dat betekent dat
verdragsgerechtigden in hun woonland recht hebben op hetzelfde zorgpakket als
hun buren, die daar daadwerkelijk sociaal verzekerd zijn. Voor de voormalig
ziekenfondsverzekerden was dit een
gegeven.”
Het is zeker waar dat de voormalig
ziekenfondsverzekerden al eerder konden
“genieten” van hun woonlandpakket. Wat u echter niet vermeldt is dat ook
zij verder in hun rechten zijn beperkt.
Voor wat betreft de voormalig particulier verzekerden
hebben wij u al uitvoerig bericht wat het betekent geen gebruik meer te kunnen
maken van de Nederlandse artsen die diensten verlenen in het betreffende
land.
Ook stelt u dat een andere oorzaak van het ongenoegen
was de verschuldigdheid van een bijdrage …. etc. en dat nadien om aan de bezwaren
tegemoet te komen de woonlandfactoren zijn
ingevoerd.
Mogen wij u er eveneens aan herinneren dat deze
tegemoetkoming door de rechter is afgedwongen en dat de toepassing van de
woonlandfactoren apert onjuist is, zoals wij u ook reeds eerder
mededeelden.
Wij hebben dan wel recht op hetzelfde pakket als onze
buren, maar helaas wel tegen een volstrekt andere bijdrage dan die buren. Dat
geldt zeker in grote mate voor die landen waar nationale gepensioneerden geen
bijdrage betalen en de zorg wordt bekostigd uit de algemene middelen waaraan ook
de verdragsgerechtigden via de belastingen
meebetalen.
U stelt dat de Nederlandse particuliere verzekeringen
op grond van de Invoerings- en aanpassingswet Zvw uitsluitend zijn vervallen
voor zover de dekking van die verzekering opgaat in de Zvw of een verdrags- of
verordeningsdekking. Dat staat inderdaad in artikel 2.5.2.2 van die wet. Helaas
moeten we constateren dat de verzekeringsmaatschappijen zich daaraan, ondanks
een proces dat wij tegen een aantal hebben gevoerd, niet houden. Wel bieden zij aanvullende verzekeringen
aan, waarvan de voorwaarden en de premies zodanig zijn vastgesteld, dat zij over
het algemeen van nul en generlei waarde zijn en de premies weggegooid geld zijn.
Mogen wij u eraan herinneren dat de Nederlandse
overheid door opname van het genoemde artikel 2.5.2.2. met een onmogelijke eis,
om per land aanvullende pakketten aan te bieden, de veroorzaker is van deze
problemen. Doet de Nederlandse
overheid hier iets aan?
Onder punt 6.a. zegt u wederom dat er voor de
voormalig ziekenfondsverzekerden weinig veranderde en dat het voor kennisgeving
werd aangenomen. De waarheid is dat er wel degelijk veel veranderde voor die
groep mensen. Het probleem is ook dat velen, ondanks de voorlichting, nog steeds
geen notie hebben van wat er is gebeurd en zij dat pas beseffen als zij met de
daarmee samenhangende problemen worden geconfronteerd. Mede doordat op de
specificatie van de inhoudingen een bijdrage AWBZ wordt vermeld heerst bij velen
nog steeds de gedachte dat zij AWBZ verzekerd
zijn.
Over de voormalig particulier verzekerden zegt u o.a.
“Ik krijg de indruk dat deze mensen eigenlijk willen terugkeren naar de situatie
van vóór de invoering van de Zvw……. etc.” Dat is volstrekt juist, vóór 1 januari
2006 voldeed iedereen aan de eisen van zijn woonland dmv een E-121 formulier of
een particuliere verzekering c.q. viel hij onder de uit de algemene middelen
gefinancierde woonlandzorg. Er waren toen geen grote protestacties of processen
tegen de Staat nodig.
Dat die situatie niet meer bestaat en het draagvlak
voor de particuliere ziektekostenverzekering is
versmald,
is uitsluitend te wijten aan de overheidsmaatregelen
rond de invoering van de Zvw. In
tegenstelling tot de voormalig particulier verzekerden in Nederland, die
daarvoor werden gecompenseerd met de invoering en toelating tot de Zvw, zie
artikel 2.5.2.1 van de Invoerings- en aanpassingswet Zvw, geldt dat niet voor de
verdragsgerechtigden. Zij zijn
verstoken van een gelijkwaardig pakket, terwijl zij bovendien meer betalen dan
vóór 2006 voor hun particuliere verzekering. Zoals reeds eerder betoogd is ook
de solidariteit doorbroken. Het teveel aan premie, in vergelijking met de door
hen veroorzaakte kosten tijdens hun werkzame periode, dat nodig was om de hogere
kosten te kunnen opvangen bij het ouder worden, is geheel ten goede gekomen aan
de zorgverzekeringsmaatschappijen.
Voor de 40.000 voormalig particulier verzekerden die dat betreft kan het
voordeel voor die maatschappijen worden becijferd op een bedrag tussen de € 75
en € 100 miljoen per jaar. Dat bedrag wordt jaarlijks aan de voormalig
particulier verzekerden onthouden. Het zijn hun centen en zij hebben daar recht
op. Er is hen daarvoor geen enkele compensatie geboden. Men zou toch mogen
verwachten dat een overheid die dat soort maatregelen neemt, tenminste passende
overgangsmaatregelen neemt om die mensen te compenseren. Helaas is het tegendeel het geval. Men
dwingt die mensen tot dubbele en soms driedubbele betaling van kosten voor de
zorg. NB: particuliere polissen
waren expliciet niet opzegbaar. Daarin was de solidariteit verankerd: immers de
oudere particulier verzekerde bleef tegen een redelijke premie verzekerd van
dezelfde zorg ook al nam het gezondheidsrisico met het stijgen der jaren toe.
Die solidariteit is doorbroken doordat de Staat heeft verordonneerd deze
polissen te laten vervallen. Ter vergelijking: diegenen die vóór 1 januari 2006
reeds bij een buitenlandse particuliere verzekering waren aangesloten, hebben in
ieder geval niet de schade van het wegvallen van die particuliere verzekering.
De schade als gevolg van het wegvallen van de dekking van de oude Nederlandse
particuliere verzekering is in feite een verkapte onteigeningsmaatregel. Het is
vrij ernstig dat de Staat nog steeds weigert dit feit te
erkennen.
Verder stelt u “De problemen zijn inmiddels
opgelost”.
Wellicht in Nederland, maar voor de Nederlanders
woonachtig in het buitenland zijn er helemaal geen problemen opgelost. Afgezien
van de door de rechter afgedwongen invoering van de woonlandfactoren is er
totaal niets gebeurd. Gaarne
vernemen wij van u welke problemen dan wel zijn
opgelost.
Onder 6.b. zegt u “Na aanmelding ontvangen betrokkenen een
formulier (E-121) waarmee zij zich bij de sociale ziektekosteninstelling in hun
woonland inschrijven teneinde het recht op zorg tot gelding te kunnen
brengen”
Onder 7.a. zegt u vervolgens “Tegenover het
verdragsrecht is in de Verordening en de verdragen bepaald dat het land dat de
kosten voor die zorg betaalt, gerechtigd is om een bijdrage te vragen
overeenkomstig de nationale wetgeving”.
U sluit hierbij aan bij artikel 33 van Verordening
1408/71. U gebruikt echter maar een gedeelte van dat artikel. Wij laten dat
betreffende artikel hieronder in zijn geheel
volgen.
Artikel
33
Bijdragen of premies
voor rekening van pensioen- of
rentetrekkers
1. Het orgaan van een
Lid-Staat dat een pensioen of rente
verschuldigd
is en dat een wettelijke
regeling toepast waarin is bepaald,
dat
voor rekening van een
pensioen of rentetrekker bijdragen of
premies
worden ingehouden om de
kosten van de prestaties bij ziekte
en
moederschap te dekken,
is gemachtigd deze bedragen, berekend
overeenkomstig
de betrokken wettelijke
regeling, in te houden op het
pensioen of de rente
welke dit orgaan verschuldigd is, voorzover
de
prestaties krachtens de
artikelen 27, 28, 28 bis, 29, 31 en 32 voor
rekening
van een orgaan van
bedoelde Lid-Staat komen.
2. Wanneer de pensioen-
of rentetrekker in de in artikel 28
bis
bedoelde gevallen
krachtens de wetgeving van de Lid-Staat op
het
grondgebied waarvan hij
woont, uit hoofde van zijn woonplaats
aldaar,
premies of soortgelijke
inhoudingen verschuldigd is voor de
dekking
van de kosten van
prestaties wegens ziekte of moederschap, zijn
deze
niet
invorderbaar.
Hierin staat uitdrukkelijk dat inhoudingen
uitsluitend mogen plaatsvinden voorzover
de prestaties krachtens de artikelen 27, 28, 28 bis,
29 , 31 en 32 voor rekening van een orgaan van bedoelde Lid-Staat
komen.
Hieruit volgt overduidelijk dat slechts bijdragen
mogen worden opgelegd aan betrokkenen voorzover zij zich hebben ingeschreven en
dan nog uitsluitend met ingang van de datum waarop zij zich hebben ingeschreven.
In alle andere gevallen worden er geen kosten door het woonland in rekening
gebracht.
U stelt verder dat er een verschil van inzicht
bestaat met de Europese Commissie ter zake van de vraag op welke inkomens de
volgens voormelde regel vastgestelde verdragsbijdrage mag worden ingehouden.
Welnu artikel 33 van Verordening 1408/71 is hierover duidelijk. Zie hierboven.
Er mag slechts worden ingehouden op het pensioen of de rente welke dit orgaan
(in casu de SVB) verschuldigd is. De Europese Commissie heeft dus gelijk en u
overtreedt met uw standpunt de wet.
Mogen wij u er aan herinneren dat Europese
verordeningen in Nederland wet zijn en boven de in Nederland uitgevaardigde
wetten prevaleren.
Onder 7.a. zegt u dat de
verdragsuitgaven in 2006 ongeveer € 150 miljoen bedroegen, zoals ook in de tabel
is weergegeven onder 7.c.
Deze cijfers kunnen
onmogelijk juist zijn. De groep mensen waarop deze cijfers betrekking hebben
zijn gepensioneerden en hun gezinsleden. Artikel 95 van de
toepassingsverordening 574/72 bepaalt
de door Nederland te betalen vergoeding voor de 121.098
verdragsgerechtigden die in de tabel worden genoemd.
Voor de landen met het grootste aantal verdragsgerechtigden geven wij hieronder weer wat de gemiddeld volgens uw tabel te betalen vaste bedragen zijn en de bedragen die voortvloeien uit de publicaties van de Administratieve Commissie.
Land
Te betalen vast bedrag Vast bedrag vlgs
artikel 95. Af te dragen
door
volgens uw overzicht
Cijfers voor het jaar 2004. Nederland 80%
In Euro per persoon
In Euro per persoon
In
Euro persoon
België
2.002
4.341
3473
Duitsland
1.070
4.185
3348
Frankrijk
3.016
4.622
3698
Portugal
1.193
1.626
1301
Spanje
2.278
3.016
2413
Iets dergelijks geldt
ook voor de door de verdragsgerechtigden te betalen
bijdragen.
In de bijlage hebben wij
voor de bovengenoemde groep landen de berekeningen weergegeven.. Alleen al voor die groep landen komen
wij op een bedrag aan te ontvangen bijdragen van € 104 miljoen en af te dragen
aan vaste bedragen € 209 miljoen. Enorme afwijkingen dus met de door u genoemde
cijfers.
Het is niet op de
bijdragen dat Nederland verdient. Nederland verdient op het ontwijken van de
kosten verbonden aan de zorg op hogere leeftijd. Dat risico ligt nu bij de
woonlanden en niet bij Nederland.
De cijfers die u geeft
voor de verhouding van de te betalen bijdrage en de daarbij behorende kosten
zijn ook niet correct. Het is wel juist dat die voor de verdragsgerechtigden
ongeveer 1 op 2 bedragen, maar voor Nederlandse gepensioneerden ligt dat cijfer
veel hoger en bedraagt ongeveer 1 op 4.
Zie onze notitie over solidariteit
die wij toezonden met onze brief van 7 september
2007.
Wij zouden het zeer op
prijs stellen als u bij de nadere
overwegingen over de vaststelling van de hoogte van de bijdrage van
verdragsgerechtigden dit mee zou willen
nemen.
Ook de toepassing van de
zorgtoeslag geeft nog reden tot zorg. Zoals u opmerkt maakt de Wet op de
Zorgtoeslag deel uit van de verordening.
Wij zijn dan ook van mening dat om dezelfde situatie te creëren als die
voor de gepensioneerden in Nederland geldt, de voor de bepaling van de
zorgtoeslag de woonlandfactor moet worden toegepast, niet op de standaardpremie,
maar op de uitgerekende zorgtoeslag conform voorstel van wet
30918.
Ook hierover hebben wij
u en de vaste commissie van de Tweede Kamer uitgebreid bericht, ondermeer met
ons schrijven van 7 september 2007.
Gaarne zijn wij bereid
onze zienswijze en onderbouwingen nader toe te
lichten.
Hoogachtend,
namens het bestuur van de
SBNGB
C.H. van der Wiel,
voorzitter
c.c. Vaste Commissie VWS Tweede
Kamer
Mr. A.G.
Bloemheuvel
Mr. L.C. Mineur
Kosten
verdragsgerechtigen in de belangrijkste landen voor
gepensioneerden
Land
Aantal
Geraamde
Door Ned. te
Gemiddelde
Gemiddeld
Geraamde
Te ontvangen
Gepublic. vaste
Af te dragen
Totaal af te
verdragsger.
bijdrage
betalen vaste
ontvangen
te betalen
te betalen
bijdrage
bijdrage 2004
vaste bijdrage
dragen door
bijdrage
bijdrage
vaste bedragen
bijdrage
verdragsger.
art 95. 574/72
80%
Nederland
€
€
€
België
26.089
22.177.000
52.225.000
850
2.002
1.724
44.977.436
4.341
3.473
90.601.879
Duitsland
17.876
12.547.000
19.120.000
702
1.070
1.878
33.571.128
4.185
3.348
59.848.848
Frankrijk
6.797
9.047.000
20.500.000
1.331
3.016
1.811
12.309.367
4.622
3.698
25.132.587
Portugal
2.363
1.082.000
2.820.000
458
1.193
720
1.701.360
1.626
1.301
3.073.790
Spanje
12.974
7.981.000
29.560.000
615
2.278
929
12.052.846
3.016
2.413
31.303.667
Totaal
66.099
52.834.000
124.225.000
799
1.879
1.583
104.612.137
3.971
3.176
209.960.772
Geraamd aantal
personen per groep
Alleenst.
Echtpa. AOW
Echtpaar
Echtpaar
Gemiddelde
Te betalen
bijdrage
AOW
€ 5.000
één max.
beide max.
bijdrage
25%
35%
35%
5%
België
1144
1252
2331
3679
1.724
Duitsland
1246
1364
2540
4008
1.878
Frankrijk
1201
1315
2448
3864
1.811
Portugal
419
536
996
1572
720
Spanje
616
675
1255
1982
929