Uitspraak
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam is
ingegaan op de inhoudelijke kant van de zaak, maar heeft de beroepen helaas
verworpen. Tegen de uitspraken van de rechtbank zal hoger beroep worden
ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep in Utrecht. Die zal moeten oordelen of
de rechtbank al dan niet terecht het keuzerecht heeft ontkend en al dan niet
terecht de woonlandfactor geldig heeft geacht.
Ten aanzien van het
keuzerecht heeft de rechtbank haar redenering vooral gebaseerd op
(veronderstelde) doel en de strekking van Verordening 1408/71. Het betreft hier
eigen opvattingen van de rechtbank. De rechtbank gaat daarbij voorbij aan
de tekst van art. 33 van de Verordening waarin is bepaald dat van personen die
niet ten laste van Nederland komen ook geen bijdragen mogen worden geheven. Met
name in die gevallen waarin AOW-gerechtigden zich niet hadden ingeschreven in
hun woonland en een (niet-Nederlandse) particuliere verzekering hadden, valt
niet goed te begrijpen dat de rechtbank aan de bewoordingen van art. 33 voorbij
is gegaan.
Ten aanzien van de woonlandfactor voert de rechtbank een
marginale toets uit en concludeert dat de minister in redelijkheid tot de
woonlandfactorregeling heeft kunnen komen (de rechtbank vraagt zich dus niet af
of een andere regeling beter was geweest, maar vraagt zich af in hoeverre deze
redelijk is). De rechtbank concludeert ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel
terecht dat gepensioneerden in Nederland en buiten Nederland niet gelijk zijn,
maar dat laat onverlet dat de benadering van het Ministerie in onze opvatting
apert onredelijk uitwerkt. De rechtbank verwerpt onze argumenten zonder
inhoudelijk motivering
Bestuur SBNGB
+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
De Rechtbank oordeelde dat onze advocaat ongelijk heeft wat betreft het
- keuzerecht en
- de woonlandfactor.
De gronden die werden aangevoerd door de Rechtbank:
Wat betreft het keuzerecht:
"Het is vaste rechtspraak van het H.v.J. EG (het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap) dat art. 28 van de Verordening 1408/71 alleen maar een regeling is om vast te stellen wélk orgaan(hier de CPAM) prestaties moet leveren en welke wetgeving van toepassing is."
De Rechtbank zegt dat het H.v.J. EG (in het door onze advocaat aangevoerde arrest Van der Duin, waaruit zou moeten blijken dat we het recht op keuze hebben)
juist NIET vindt dat Van der Duin door zijn inschrijving bij de CPAM recht kreeg op zorg: hij hád het recht al, maar ging door inschrijving daarvan gebruik maken.
Dus: ook al schrijft men zich niet in, men heeft het récht en moet daarvoor betalen, ook al maakt men er geen gebruik van.
De Rechtbank vindt verder dat er door deze bepalingen geen enkele belemmering ontstaat voor het vrije verkeer van mensen binnen de EEG.
Wat de woonlandfactor betreft vindt de Rechtbank dat er eigenlijk alleen maar gekeken mag worden of de Overheid in redelijkheid tot deze berekening heeft kunnen komen, en dan moet die "redelijkheid"nog zéér ruim worden uitgelegd. Oftewel, slechts als de berekening zéér ONredelijk geweest zou zijn, mag de Rechtbank er iets van zeggen. Welnu, de Rechtbank vindt de totstandgekomen woonlandfactoren niet zeer onredelijk!
Voor de Rechtbank is alles zeer duidelijk, prejudicieel advies vragen bij het Europese Hof vinden de rechters dan ook niet nodig
Wel merkt de Rechtbank op dat volgens het Europese Hof premies NIET dubbel betaald mogen worden.