| Terug naar overzicht Stichting | |
In alle zaken heeft de Raad van State geoordeeld dat CVZ de ingediende bezwaren niet-ontvankelijk had moeten verklaren, met als redengeving dat de brieven waartegen de bezwaren zich richtten niet als voor beroep vatbare besluiten kunnen worden aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad van State hebben de brieven geen rechtsgevolgen, maar bevestigen zij slechts wat de positie van de betrokkene is onder de toepasselijke wetgeving. Het gevolg van de uitspraken van de Raad van State is dat nieuwe bezwaar- en beroepsprocedures moeten worden opgestart tegen besluiten waarbij daadwerkelijk inhoudingen zijn gepleegd op pensioenen uit hoofde van de Zorgverzekeringswet. Weliswaar kunnen in die nieuwe beroepszaken dezelfde inhoudelijke argumenten worden aangevoerd als in de door de Raad van State besliste zaken, maar een en ander betekent dat een vertraging van vele maanden dreigt te ontstaan. De uitspraken van de Raad van State zijn om meerdere redenen betreurenswaardig. Ten eerste omdat vorig jaar door de vertegenwoordigers van de Stichting en vertegenwoordigers van CVZ uitvoerig overleg is gevoerd over de procedurele afhandeling van de bezwaren tegen de verplichte aansluiting bij de ziekenfondsen in de woonlanden (anders gezegd: de ontkenning van het keuzerecht door de Nederlandse overheid) en tegen de woonlandfactor. Doel van dit overleg was tot een efficiënte en snele afhandeling van de aan te spannen proefprocedures over het keuzerecht en de woonlandfactor te komen. CVZ was uitdrukkelijk bereid daaraan mee te werken, hetgeen van de zijde van de Stichting uiteraard zeer op prijs is gesteld. Van de zijde van CVZ is toen uitdrukkelijk het standpunt ingenomen dat de hiervoor genoemde brieven als voor beroep vatbare besluiten moesten worden aangemerkt. De proefprocedures zouden dan ook tegen deze brieven moeten worden gericht, aldus de vertegenwoordigers van CVZ. De vertegenwoordigers van CVZ baseerden hun standpunt op rechtspraak over ontvankelijkheidsvraagstukken van de Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechter in Nederland in beroepszaken inzake sociale zekerheid. De advocaten van de Stichting hebben bij die gelegenheid aangegeven dat andere rechters in het verleden anders hadden geoordeeld over ontvankelijkheidsvraagstukken dan de Centrale Raad van Beroep. Dit was geen reden voor de vertegenwoordigers van CVZ om het eigen standpunt bij te stellen. Conform de vervolgens gemaakte procedureafspraken heeft CVZ (dan ook) de bezwaarschiften in de door de Stichting aanhangig gemaakte proefprocedures ontvankelijk verklaard en inhoudelijk beoordeeld. De Raad van State heeft expliciet te kennen gegeven dat hij niets te maken heeft met eventuele procedureafspraken en zelfstandig geoordeeld dat geen beroep mogelijk is tegen de genoemde brieven van CVZ. Daarmee geeft de Raad van State eigenlijk aan dat CVZ ten onrechte de gepensioneerden heeft opgeroepen om hun bezwaarschriften te richten tegen haar brieven. Dit verklaart ook waarom CVZ door de Raad van State in de kosten van de beroepsprocedures is veroordeeld. Dat betekent (zeker) niet dat CVZ te kwader trouw heeft gehandeld, maar wel dat onnodig zeer veel tijd is verloren en namens de gepensioneerden onnodige proceskosten zijn gemaakt (bedacht moet worden dat de door de Raad van State uitgesproken proceskostenveroordeling een onbeduidend bedrag betreft). Die vertraging is nog eens vergroot door het feit dat halverwege de beoordeling van de bezwaren door CVZ, het Ministerie van Volksgezondheid heeft aangedrongen op inschakeling van het kantoor van de landsadvocaat. Mede om die reden zijn de besluiten op de bezwaarschriften gericht tegen het keuzerecht enkele maanden later genomen dan oorspronkelijk door CVZ was beoogd. Ook de landsadvocaat heeft kennelijk niet aangegeven dat CVZ procedureel op het foute spoor zat door bezwaar open te stellen tegen de eerdergenoemde brieven. Dit maakt de uitkomst van de beroepsprocedures voor de Raad van State extra betreurenswaardig. Ten derde is betreurenswaardig dat de Raad van State, in de wetenschap dat sprake was van een spoedprocedure over een principiële aangelegenheid, in de zaak over het keuzerecht eerst vér na het verstrijken van de wettelijke termijn uitspraak heeft gedaan. De beroepen zijn ingediend in september 2006. Niets had de Raad van State belet om reeds direct na indiening van de beroepen de vraag op te werpen of wel sprake was van voor beroep vatbare besluiten van CVZ. In dat geval was veel minder tijd verloren gegaan. Pijnlijk is dat de Raad van State, die sedert 1 januari 2007 overigens als gevolg van een wetswijziging niet langer de bevoegde rechter is in beroepszaken over de Zorgverzekeringswet, gemeend heeft juridisch doctrinaire gronden zwaarder te moeten laten wegen dan het recht op een effectieve en snelle rechtsbescherming, en dat in een zaak waarin de belangen van vele tienduizenden personen van gevorderde tot zeer hoge leeftijd in het geding zijn. De Raad van State is tijdens de diverse zittingen met klem op die laatste belang gewezen, maar heeft daaraan blijkens de uitspraken geen enkel gewicht toegekend. Wat is de praktische betekenis van de uitspraken van de Raad van State? Zoals de Raad van State in zijn uitspraken aangeeft, kan iedere pensioengerechtigde bezwaar aantekenen tegen het besluit tot inhouding van een Zvw-bijdrage op zijn (AOW-)pensioen. Een dergelijke besluit is wél een besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat. Een aantal gepensioneerden heeft reeds bezwaarschriften ingediend tegen deze besluiten. De afhandeling van deze bezwaren is in alle gevallen opgeschort in afwachting van de uitkomst van de proefprocedures voor de Raad van State. De Stichting zal opnieuw in overleg treden met CVZ en de Sociale Verzekeringsbank met het doel te bewerkstelligen dat alsnog zo spoedig mogelijk wordt beslist op de aanhangige bezwaren in een aantal te selecteren proefprocedures. Teneinde de vertraging zoveel mogelijk te beperken, zullen in beginsel de nieuwe proefprocedures onder de namen van dezelfde personen worden gevoerd als de proefprocedures die voor de Raad van State zijn gevoerd. Helaas is opnieuw een beslissing op bezwaar nodig van de bevoegde overheidsinstantie, alvorens beroep bij de rechter kan worden ingesteld. Het is zaak dat de verantwoordelijke overheidsinstanties deze beslissingen op bezwaar zo spoedig mogelijk nemen. Gelet op het ongelukkige verloop van de procedures tot nu toe, mag van de overheidsinstanties worden verwacht dat zij daarbij maximale medewerking verlenen. Nadat op de bezwaren in de nieuwe proefprocedures is beslist, zal beroep moeten worden ingesteld bij de Rechtbank te Amsterdam. In beginsel kunnen daarbij dezelfde processtukken in het geding worden gebracht als eerder bij de Raad van State. Indien de overheidsinstanties en de Rechtbank meewerken, zouden mogelijk nog voor het eind van 2007 uitspraken beschikbaar kunnen zijn in de nieuwe proefprocedures. Al met al betekenen de uitspraken van de Raad van State derhalve een tijdsverlies van vele kosten, en in feite onnodige extra proceskosten. De Stichting is echter vastberaden op de ingeslagen weg voort te gaan, en voor de Amsterdamse Rechtbank nieuwe proefprocedures te voeren met het doel alsnog rechterlijke uitspraken te krijgen over het keuzerecht en de geldigheid van de woonlandfactor. | |